Beste mensen hier zijn we dan weer.
Een tropisch eiland met witte stranden dat is toch fantastisch! Maar je moet er wel wat voor doen. De Kunu hebben namelijk een semi-autonoom leefgebied. Dat betekent dat ze voor veel zaken hun eigen wetten hebben. Ze laten per dag zo'n 22 auto's op de enige weg naar hun zeer omvangrijke gebied toe. Dat gebied reikt tot aan Colombia. Dan moet de chauffeur ook nog eens door de Kunu geautoriseerd zijn. En dan mag de chauffeur nog niet altijd bij de vaste steiger parkeren. Waar dat vanaf hangt, weten we niet precies. Dat is toch wel handig omdat het overgrote deel van de Kunu op eilanden leven. Maar er is een mogelijkheid om op een baggerige uitwijkplaats uit te stappen – een soort gedoogoevertje van een rivier. Verder moet je bij de grens $6 betalen en bij het overstappen naar het bootje $2. Paspoorten worden gecontroleerd en in de middag is de poort bij de grens op slot. Nou, er hangt een ketting met een slot, maar het slot is toch open. Tot zover de praktische zaken.
We varen zo'n drie kwartier vanuit het haventje met twee bamboehuisjes naar het eiland. Verder loopt er een cameraploeg met entourage rond, maar gelukkig gaat die niet met ons mee. We weten niet hoe groot ons eiland is, maar het heet Kuanidup Grande. Er is ook een kleiner Kuanidup eiland. Verspreid liggen vele eilandjes, ver van elkaar, met soms maar een paar palmbomen en (g)een huisje. Dan weer een eilandje dat slechts zo groot is als de twee huizen die erop staan, zonder bomen. Hoe lang houd je het daar op uit? De Kuna leven van de visvangst en nu is het het kreeftseizoen. Alleen Kuna mogen de eilanden bezitten en daar wordt streng op gecontroleerd.
Als we bij het eilandje aankomen zien we dat het niet groot is. Het is zo'n 100 meter lang en 30 meter breed. Het heeft een paar bamboehuisjes, een gemanicuurd grasveldje en het is omringd door wit zandstrand. Het is een echt bountyeiland. Vaste bewoners zijn krabben, zes steltlopertjes, een tiental spreeuwachtigen en af een toe landt er een roofvogel. Een droomplaatje en tegen de avond met de zachte kleuren van de ondergaande zon die neervallen op het eilandje, is het het ultieme paradijs. Echt fantastisch. We snorkelen snel een paar rondjes en zien talloze vissen in het blauwe water, koraaltuinen en een prachtige krab. We zien paarse, rode koralen als waaiers en in andere vormen. Het is hier relaxen, chillen in de hangmat, zwemmen en dus volop genieten. Het eten is drie keer per dag netjes verzorgd. We bezoeken Isla Perro (Dog Island) waar een schip gezonken is. Hieromheen kun je fantastisch snorkelen, vissen en koraal in overvloed met alle spetterende kleuren en natuurlijk weer een glasheldere zee. Als we op Kuanadip terugkomen, zwemt er een enorme, ontzagwekkende barracuda van meer dan een meter onder de gammele houten aanlegsteiger. De jonge schipper rent naar zijn harpoen en schiet op de vis, maar mist. De vis blijft in leven, wat wel een fijne gedachte is – hij is te mooi.
Op de voorlaatste dag bezoeken we het eilandje Urnaguadip. Het is hun stad en heeft 800 inwoners. We wandelen door de hoofdstraat met huisjes, drie winkeltjes en een schooltje. Er is een groot bamboe dorpshuis. Hier vergaderen de vier chiefs en verzorgen zij de rechtspraak. Als je een misdaad pleegt, wordt er bediscussieerd of je er met een geldstraf vanaf komt, dan wel dat je van het eiland wordt verbannen. De mensen zijn vriendelijk. Ze gaan ook graag op de foto, zowel kinderen als volwassenen hebben dan recht op 1$ per persoon. Ze zijn arm en moeten toch ergens van leven. De kinderen zien er goed uit, maar soms ook verwaarloosd. We kopen ook nog wat lobsters voor vanavond. Wandelend door de straatjes knopen we gesprekjes aan met de mensen. Ze zijn zeer vriendelijk, maar ook wat verlegen. O ja, Digiti na is goedendag in het Kuna. De kinderen spelen en een paar vrouwen, vaak niet groter dan 1.50 meter, proberen wat sieraden of mola's te verkopen. Ondanks hun beperkte lengte is basketbal hier de favoriete sport. Overal, en dus ook hier, hebben ze een basketbalveldje. Al wandelend komen we op een tweede “eiland”. De eilanden zijn verbonden en zijn niet van elkaar te onderscheiden. Als je over een voor ons onzichtbare grens stapt (net voor het basketbalveldje), mag je weer een dollar entree betalen. Mysterieus, maar het is nu eenmaal een ander dorp.
We besluiten de volgende dag een paar uur later te vertrekken. We willen nog even extra genieten van dit paradijsje van een paar vierkante meter wit zandstrand. Het is geen luxe resort, maar naar de solitaire mogelijkheden zeker comfortabel te noemen. Een echte aanrader en een fantastische afsluiting van de Panamareis.
Beste volgers, bedankt voor het lezen!
zondag 4 september 2011
Het verblijf bij de Naso
Buenas tardes queridos lectores en nu het vervolg: De twee jonge moeders zorgen voor het eten en maken op een houtvuurtje een traditionele maaltijd klaar van banaan en een soort kool. Hun kinderen spelen bij ons op tafel. Een meisje van drie jaar krijgt borstvoeding en smeekt om meer. Maar het is genoeg volgens haar moeder. Ons huisje is van bamboe en heeft een dak van palmbladeren – redelijk waterdicht. Heerlijk rustig, een prima plek om te overnachten. Thomas spijkert nog een beetje zijn Engels (en ons Spaans) bij. Het is gestopt met regenen en twee uurtjes voor zonsondergang maken we een wandeling over de sendero die over een bergrug loopt. Na een tijdje horen we een zacht gekraak en kijken we, om onze aanwezigheid niet te verraden, muisstil toe. Het gekraak van hout wordt luider en na een minuut enorm. Het is een enorme woudreus die spontaan en met een indrukwekkende klap omvalt. Gelukkig de andere kant op. Er zijn meer bomen omgevallen door het noodweer van vandaag. Soms moeten we over de stammen en takken klimmen om het pad te volgen. Ook in de nederzetting is een boom op een gebouw gevallen. Natuurlijk horen we veel vogels, maar door het vochtige weer zien we ook een aantal pijlgifkikkers! Prachtige groen/zwarte exemplaren. Zeer kleintjes en ook grotere. De volgende dag ziet Jana we ook een rode soort, zo groot als de nagel van haar pink. Zeg aan er als een speer vandoor en proberen zich onder de bladeren te verbergen. De bruine kikkertjes vertrouwen daarentegen op hun schutkleur en blijven zitten en gaan volop op in hun omgeving. Eentje lijkt veranderd te zijn in een takje.
Edwin heeft zich de volgende dag tijdens een wandeling als 'gids' bij ons aangesloten en vertelt wetenswaardigheden over de omgeving. We zien een bongoboom, de Naso naam is 'wè' en hun dorp We-kso is naar de boom genoemd. Verder is er een boom die ze gebuiken bij het koken voor de smaak en een andere boom is goed voor het maken van dugout canoes. Hij vindt het Nederlandse woord 'kikker' ook interessant. Na het onbijt van gebakken plataan en ei vertrekken we weer. We wachten bij de rivier voor de oversteek. De kinderen spelen in de rivier en vangen garnalen, die ze vol trots aan ons laten zien. De vrouwen doen er de was.
De Naso van Wekso
Weer een nieuwe trip voor een paar dagen. Vanuit Changuilo willen we naar de minderheden in de jungle. Hiervoor informeren we bij het ANAM-kantoor. Het lijkt wel lastig om de indianen te bezoeken. Een man die de minderheden onder zijn hoede heeft, kent als beste de mogelijkheden. Een kleine groep leeft bij Las Delicias en ligt aan de Sixaola rivier, 20 kilometer van Costa Rica. Er is daar gedoe over grond, zodat indianen zijn gestopt met het ontvangen van gasten. Na nog wat telefoneren, kunnen we wel naar de Naso in Wekso. We besluiten daar naar toe te gaan en een ranger wijst ons de weg naar El Silencio. Op tijd vertrekken, maar het stortregent en er zijn enorme windvlagen. We gaan maar het is noodweer.
Na een tijdje komen we over een pad in Bomdjith aan, een dorp met 5 huizen, en zoeken Wekso. Het moet aan de andere kant van rivier liggen. Bij de dorpsschool staat een aardige jongeman die ons wel wil helpen, Thomas (echt waar Novaks
). Hij brengt ons naar de oversteekplaats aan de oever van de rivier en geeft met een soort indianenkreet een sein. Het giet nog volop, dus alle bagage is in plastic zakken ingepakt. In de verte komt een (hele) kleine dugout canoe aan. De instabiele, kleine kano heeft flink last van de woeste golven. Eén voor één steken we over en het meisje is gelukkig heel behendig.
Na een tijdje komen we over een pad in Bomdjith aan, een dorp met 5 huizen, en zoeken Wekso. Het moet aan de andere kant van rivier liggen. Bij de dorpsschool staat een aardige jongeman die ons wel wil helpen, Thomas (echt waar Novaks
). Hij brengt ons naar de oversteekplaats aan de oever van de rivier en geeft met een soort indianenkreet een sein. Het giet nog volop, dus alle bagage is in plastic zakken ingepakt. In de verte komt een (hele) kleine dugout canoe aan. De instabiele, kleine kano heeft flink last van de woeste golven. Eén voor één steken we over en het meisje is gelukkig heel behendig.
Abonneren op:
Posts (Atom)